Kruiswoordpuzzel

De studenten maken een kruiswoordpuzzel met begrippen die bij een bepaald onderwerp horen. Laat de studenten eerst een lijst met tenminste 25 begrippen, woorden of personen maken welke in de puzzel verwerkt zullen worden. Vervolgens dienen de studenten per begrip, woord of persoon een vraag te verzinnen die het begrip, woord of persoon als antwoord heeft. Deze vraag mag niet meer dan twee zinnen zijn.
Zodra de vragen zijn gemaakt is het aan de studenten om op een ruitjesblaadje de puzzel te gaan maken. Laat de student op een ruitjes blaadje de verschillende woorden invullen. Laat de student de woorden zoveel mogelijk overlappen, zodat deze mooi haaks op elkaar aansluiten. De vakjes die uiteindelijk niet gevuld kunnen worden, kunnen zwart gekleurd worden. Laat de student ieder woord nummeren en de vragen die bij de bepaalde antwoorden horen ook. Zodra de puzzel af is het aan de student om een blanco versie van de puzzel te maken met de nummertjes, zwart gekleurde hokjes en vragen. Vervolgens kan de student zijn puzzel aan een medestudent overhandigen. De student kan op zijn beurt weer een puzzel maken van een medestudent. Aan de docent valt het aan te raden om van elke puzzel een kopie te maken en een boekje samen te stellen van de diverse puzzels, zodat de studenten alle puzzels kunnen maken ter voorbereiding van een toets.

21st Century Skills

Kritisch denken
Creatief denken
Probleem oplossen
Communiceren
ICT-basisvaardigheden
Mediawijsheid
Informatievaardigheden

Loopbaancompetenties

Kwaliteiten
Werk exploratie